De fantast

de tastende, naar
oneindigheid trachtende
fantast.
het transformeert 
in een transparante 
trots
onder een transformele troon
zal het leven

Mijn zogenaamde ware zelf

De gedachte dat ik mijzelf zou omvatten als één gedaante, standvast in elke vorm, had enige vorm van arrogantie. Onwetend ook, zonder het besef van een andere werkelijkheid, ongeacht of deze foutief blijkt te zijn. Ik bevat niet enkel de verschijningsvorm, noch slechts mijn eenzijdige beleving van mijzelf. Of ik de schuld nu geef aan de omgeving, die mij onbewust beïnvloedt, of het uitstelgedrag van de confrontatie met mijzelf op de meest juiste manier. Het gevoel van overmacht geeft een vrijstelling voor de confronterende zelfreflectie. Ik speculeer negatief over de omgeving, waardoor ik mijzelf zogenaamd teniet zou doen. Mijn ware zelf.
Natuurlijk is dit onzin.
Ik ontken het verschijnsel niet dat ik me als verscheidene vormen voordoe. Zelfs de frustratie die het met zich meebrengt, tot aan de diepste donkerste dalen, breekt dit verschijnsel niet af. Deze bijwerkingen stimuleren dit bovengenoemde, waardoor continuering zich voortzet. De ontwikkeling die een ondergeschikte rol heeft gekregen bij de constante is juist datgene geworden dat op dit moment relevant lijkt te zijn.
Daarvoor is het noodzaak de verschijning te analyseren en deze losse vormen zodanig te abstraheren, zodat deze overzichtelijk gerangschikt kunnen worden. Alleen vanuit de volledige eerlijkheid zijn begripsmatige conclusies te trekken.

De ondergeschikte potentie

Niets is minder duidelijk dan een beter vooropgestelde dwang, waardoor conclusies samenvloeien tot een geheel van verschillende subjecten. Waarom zijn de minder beoordeelde grootheden belangrijker dan een meer ontwikkeld idee? Zijn er geen voordelen voor een milieu bestaande in een paradoxale realiteit van intenties? Misschien is het gemak dat overeenkomt met de subjecten van groter belang dan de diepte waarin de uitkomst niet te vinden is. Zou de potentie een ondergeschikte rol krijgen, waardoor de gemakken dit element domineren? Of zou de voorkeur bij voorbaat al in de praktische zin liggen, waardoor de potentie slechts een onbelangrijke bijzaak lijkt te zijn? Of zijn er geen globale opvattingen over deze uitersten te concluderen en is dit enkel een kwestie van hoge uitzonderingen? En mocht dit dan een uitzondering wezen, dan doet de aanwezigheid van dit feit toch zeker niets van af van de hiërarchie der prioriteiten?

Een algemene verbintenis

Elk element dat zich staande houdt in een universele vorm van een algemene verbintenis, zal zich zogenoemd ontwikkelen, of wel naar aanleiding van de omgeving veranderen, naar een voortdurend onbepaalde gedaante dat ten slotte uit zal monden in een afwezigheid van uiteenlopende zaken. Dit compileert vervolgens tot een onzeker, maar standvast gegeven, waarbij het tengere gestalte dominanter lijkt te zijn dan de zo bedoelde objectieve verschijning.

Gezag

Wanneer de uitgesproken rede niet tot stand is gekomen tijdens het besef van de solutie, is de welgemeende aard der omstandigheden zodanig verantwoordelijk voor een rusteloos, maar integer milieu. Wanneer de compilatie der dingen zal samenhangen onder het mom van het gezag, zullen elementen losraken van ongekende presentie. Niet alleen is de waarheid evenredig met de talrijke vorm van interpretaties, maar ook zijn de feiten van zulk subjectief niveau verwaarloosbaar. Tevens de meningen van een reeds objectieve aard. 

Het licht

Een onbehaaglijk verschijnsel dat onafgebroken samenvalt met de dag. De constantheid der elementen verlaten mij in geen enkel opzicht. Ik zal mij niet laten verduisteren tot een leegte, nimmer verblinden door de massa.
Wanneer de confrontatie met de dag zich tot mij zou wenden, zou deze voortleven in de nacht. De nacht zou de reflectie zijn van het beschrevene, waarbij de illusie gewekt zou worden van een tweeslachtig systeem. Een lusteloos verlangen zal den dagen niet doen schemeren. De verduistering zal plaatsvinden na een gegeven van losbandigheid tot in den diepe, waarop een leegte zich voortzet.
De beschouwing van een vergeten daad.